|
Dag bakker.
Dag mevrouw.
Bakker, ik wil graag dat nieuwe knuddelbrood met flavokruiden
eens proberen. Kunt u mij zeggen wat dat nou precies voor brood is?
Nou, eh… het fijne weet ik er eigenlijk niet van. Dat zou
ik eigenlijk eventjes aan mijn collega moeten vragen, de bakker.
De bakker? Dat bent ú toch?
Nou niet helemaal mevrouw. Ik ben eigenlijk de slager van
hiernaast.
Ik ben even de weg kwijt, bakker… slager. Dit is toch de
bakkerij, of ben ík nou gek?
Nee, in het geheel niet. Ziet u de bakker en ik
hebben een half jaartje met elkaar geruild. Wat werk betreft dan. Hij
runt mijn slagerij en ik zijn bakkerij. We wilden onze horizon eens
verbreden. En het dient nog praktisch nut ook: als een van ons tweeën
eens ziek mocht komen te liggen, dan kan de ander de zaak waarnemen. Er
hoeft dan niets gesloten te worden en de klanten kunnen gewoon geholpen
worden.
Maar wéét u dan iets van
brood af slager? Ik bedoel, als er nou ‘ns iemand zo’n vraag stelt
als ik, over puddingbroodjes of appelgebak bijvoorbeeld, kunt u dan
tekst en uitleg geven? Of stel, er komt een klant en die vraagt om een
halfje casino, zes kaiserbroodjes en twee pistoletjes, is dat dan geen
Chinees voor u?
|
Tja, da’s effe ’n moeilijke. Maar dan kan ik het dus
altijd even mijn collega vragen, zoals ik al zei.
En hoe zit het met bakken bakker, eh… slager?
Doet u dat ook zelf?
Och mevrouw, al doende leert men. Ik ben wel twee keer zoveel
tijd kwijt en er moet een hoop worden weggegooid, maar het begint al een
beetje te lukken.
Als ik zo rondkijk als klant, zie ik wel érg veel bruin
brood, dat voor wit moet doorgaan. En aan de traditionele vormen houdt u
zich ook niet helemaal. Wel origineel natuurlijk die half ronde puntjes
en die vierkante ovale broden, maar toch…
Maar mevrouw, ze smaken heerlijk hoor!
Ja, ja, dat wil ik best geloven.
In ieder geval heb ik er veel plezier in, mevrouw. Da’s ook
belangrijk voor een winkelier. Trouwens, ik weet hoe ik dingen moet
verkopen en met klanten moet omgaan. In feite maakt het geen verschil of
ik nu een broodje of een biefstuk over de toonbank schuif, niet waar?
Nou… ja… och…
Mevrouw zal ik even aan m’n collega vragen dan hoe dat zit
met dat knuddelbrood en die kruiden? Als u even een ogenblikje hebt?
Nee, laat maar ba…slager. Geef maar zes krentenbollen. Er
zitten toch wel krenten in?
Zeker, mevrouw, alstublieft. Ik heb nog zeven bollen…
mag het iets meer zijn?
|