|
De
herfst kantelt langzaam in de winter. De nachten lengen en de
feestdagen komen weer erg dichtbij. Mijn gedachten dwalen af naar
mijn vorige column, over militaire dienst. Ik schrijf 1990, ongeveer
drie weken voor ik met groot verlof zou gaan. Er zou eind december
een grote oefening zijn in Noord-Frankrijk. Uiteraard had deze
fanatieke soldaat/hofmeester hier geen zin in en had ik een mooi
plan bedacht. Met een glimmende klauwhamer wist ik het bovenste
kootje van mijn ringvinger te breken en dacht ik dat de feestdagen
veiliggesteld waren. Mijn commandant had echter andere plannen.
Kennelijk was hij goed op de hoogte van mijn reputatie om mij overal
waar kon me te drukken. Ik moest mee als bijrijder op één of ander
voertuig. Ik verdedigde mij nog met het feit dat ik geen rijbewijs
had, maar de galbak trapte er niet in.
Dus moest
ik een week voor kerst aantreden om voor tien dagen naar Frankrijk
te gaan. Bepakt en gespalkt ( mijn vinger dan ) kroop ik naast één
of andere nitwit om daar een uur of veertien mee opgescheept te
zitten.
Aldaar aangekomen was er uiteraard weinig te doen
voor iemand met een gebroken vinger. Maar de commandant (lees;
galbak) had alweer wat verzonnen. Ik kon ’s nachts met een paar
andere verschoppelingen een stel Leopardtanks gaan bewaken in de
bush-bush. Wil ik er graag bij vermelden dat het zo’n 15 graden
vroor en er al een redelijk pak sneeuw lag. Met mijn geweer,
uiteraard zonder munitie want - echt veel vertrouwen genoot ik niet
- en een zandhaas met dezelfde instelling als ik, werden we voor
drie uur de ijzige kou ingestuurd. Gelukkig sneeuwde het niet zo
heel hard en konden we maar liefst drie meter ver kijken. Ironie is
mooi,
|
maar dit terzijde. Al grappend en grollend over het
feit dat als de vijand op zou duiken we ons enkel konden verdedigen
met sneeuwballen bleek het geluk aan onze zijde.
We vonden een YPR-voertuig (zeg maar een tank zonder
kanon, vraag me niet waar ze goed voor zijn) dat niet afgesloten
bleek. We kropen erin, het horloge werd op tweeëneenhalf uur gezet.
Het is raar wakker worden in zo’n voertuig.
Voorzichtig wilde ik naar buiten kruipen, maar een raar gegrom hield
mij tegen. "Shit, de Russen!" dacht ik ( dat was nog in
die tijd ). Maar een zaklantaarn bracht helderheid. Een troep van
ongeveer 25 everzwijnen had zich keurig genesteld voor de ingang van
het voertuig. Die beesten bleken jongen bij zich te hebben en leken
agressiever dan een peloton Russen. Daarbij kwam dat ze voor de
duvel niet bang bleken. Het gehele interieur van het voertuig hebben
we gebruikt om de etters te bekogelen, maar van wijken wilden ze
niet weten. Er zat niets anders op dan in ons lot te berusten en te
wachten tot deze wezens uit zichzelf zouden vertrekken.
Tegen
het ochtendgloren gebeurde dit eindelijk en konden we snel naar de
centrale verzamelplek. Onze commandant was blij dat hij van ons
echte soldaten had gemaakt. Zelden hadden soldaten zo uitgebreid en
fanatiek de legervoertuigen bewaakt. Wij hielden wijselijk onze mond
en ook hij zal het zijne hebben gedacht.
Met
mijn afzwaaien werd bekend dat de dienst- plicht werd afgeschaft,
maar ik had hier zogenaamd niets mee te maken... Tuurlijk!
|